In dit nummer

‘Profvoetbal, ik weet niet of ik het opnieuw zou doen’

Jarenlang legde Toby Alderweireld (37) aanvallers het vuur aan de schenen met uitgekiend positiespel en beenharde tackles. Nu waagt hij zich aan ander entertainment. En toch: ‘Ik heb een minderwaardigheidscomplex.’

TOM PARDOEN
DANIIL LAVROVSKI

De reconversie van de firma Alderweireld loopt op wieltjes. In juni was de voormalige verdediger van Tottenham, Atlético Madrid en Royal Antwerp FC één jaar voetballer af, maar al die tijd was hij niet van het televisiescherm te branden – zet je schrap, want er komt nog meer Alderweireld aan.

Als analist fileert hij weer wedstrijden op VTM en bij Match of the Day op BBC, en op maandagochtenden doet hij hetzelfde met de Jupiler Pro League in de voetbalpodcast van HLN. Maar Alderweireld avonturiert ook ver buiten de stadions. Hij beklom met een rugzak Mount Pisco in Peru en werd ontmaskerd in The Masked Singer. En nu speelt hij dus een levensecht potje Cluedo in De verraders op VTM.

He’s here, he’s there, he’s everywhere: er is geen ontkomen aan Toby Alderweireld.

“Ik heb wel even getwijfeld toen ze me voor De verraders vroegen”, zegt hij. “De kans bestaat altijd dat je wordt aangeduid als verrader, en die rol zou me niet als gegoten zitten. Ik was als profvoetballer toch vooral een teamspeler.

“Voor The Masked Singer had ik me ongelooflijk goed voorbereid. Zo zit ik in elkaar: de zender steekt daar veel geld in en kijkers offeren hun vrije avond op. Maar op De verraders kun je je niet voorbereiden. Je wordt opgehaald, geblinddoekt en je weet niet wat je te wachten staat. Ik ben iemand die graag de controle behoudt, maar het was plezierig om mezelf voor één keer helemaal over te geven. Het was by far het leukste programma dat ik gedaan heb.”

En je hebt er wel wát gedaan. De rugzak. The Masked Singer. En dan zwijg ik nog over je werk als analist.

“Ik zat ook in Komen eten – een prima gelegenheid om mijn sterkedrank in de kijker te zetten (lacht). En straks treed ik aan in Zeg eens euh…!

Geen schrik om het merk Toby Alderweireld te laten verwateren?

“Het enige merk waar ik om geef, is het merk van mijn sterkedrank. (lacht)

“Ik weet dat het veel was, maar niet iedereen kijkt naar al die programma’s. En vooral: hoe cool is het niet dat ik gevraagd word? Ik ben dus heel dankbaar. Ik wil niet zo arrogant zijn om te denken: ze komen volgend jaar wel terug.

‘Ik was een kuddedier. Als iedereen naar rechts ging, ging ik mee. Ik was extreem verlegen – nog altijd’

Misschien passeert die trein één keer en dan nooit meer. Maar het was bij momenten pittig – ik was nog minder thuis dan toen ik nog voetbalde. Maar ik ga nu echt mijn best doen om een versnelling lager te schakelen.”

Je voelt je duidelijk in je sas in De verraders: je postte deze week een filmpje op Instagram waarin je een spartelende Kürt Rogiers aan een streng kruisverhoor onderwerpt.

“Mensen stuurden mij berichten: hoe kun je nu denken dat Kürt een verrader is? Intussen weten de kijkers dat ik groot gelijk had. (lacht) Ik was als voetballer een verdediger, maar in dit spel ben ik frontaal in de aanval gegaan. Actie, reactie. Maar misschien ben ik zelfs iets te veel all-in gegaan, waardoor ik mezelf blootgaf en me kwetsbaar opstelde.”

Kan jij als ex-profvoetballer goed tegen je verlies?

“Ik win heel graag, zeker, maar niet ten koste van alles. Als wij Monopoly spelen, ben ik niet het type dat dan geld van de bank steelt als je naar het toilet bent.”

Je begrijpt dat ik nu genoodzaakt ben om Ruben Van Gucht ter sprake te brengen.

(lacht)

Van Gucht had voor de eerste proef een horloge binnengesmokkeld, wat meteen verklaart waarom hij die proef glansrijk en met twee vingers in de neus won.

“Ik waardeer zijn, euh… winnaarsmentaliteit. (lacht) Ruben redeneerde: ik doe alles om te winnen, zelfs over de schreef gaan. Je kunt het daarmee eens zijn of niet, maar iedereen heeft zijn eigen stijl. Als hij de limiet weer opzocht, de spelregels inventief interpreteerde en het spel daarom weer stilgelegd moest worden, dacht ik ook wel eens: komaan, Ruben. Maar tegelijk moet je het hem nageven: bien joué.”

Van influencer Shauna Dewit over Goedele Liekens tot rapper Yung Mavu: het ensemble dat dit seizoen aantreedt is weer erg divers. Kende je alle deelnemers?

“Nee, eerlijk gezegd niet. Toen we allemaal bijeen kwamen op de binnenkoer van het kasteel kon ik niet iedereen onmiddellijk thuisbrengen. Gezichten en namen, daar ben ik niet goed in.”

Yung Mavu bleek een grote fan van Toby Alderweireld. Andersom ook?

“Ik kende hem en zijn muziek niet. Maar ik heb hem snel beter leren kennen. Dat is ook de opportuniteit van zo’n programma: je leert een nieuwe wereld kennen. Werelden, meervoud. Want de ervaring overstijgt het programma.

“Ik heb dertig jaar in de voetbalwereld rondgelopen. Het doet deugd om eens over het muurtje te kijken, want ik was altijd al geïntri-geerd door veel andere dingen. Ik ben een natuurmens en ik ben ook geweldig gefascineerd door geschiedenis. Rome: buitengewoon boeiend. En het is natuurlijk het verkeerde woord, maar ik vind de Tweede Wereldoorlog heel cool.

“We waren deze zomer in Normandië, waar we Omaha Beach hebben bezocht, en Sainte-Mère-Église, waar een parachutist aan de kerktoren hangt. Tijdens D-Day is daar echt een Amerikaanse para blijven hangen, wist ik door The Longest Day. Wij hadden die film op zo’n oude videocassette, die ik – letterlijk, want het was een zwart-witfilm – grijs heb gedraaid.

‘Vijf dagen per week gaat mijn wekker af om halfzes. Om zes uur zit ik dan in de fitness. Ben ik ijdel? Wellicht wel’

“Nu kun je alles altijd streamen, maar wij waren vroeger aangewezen op die VHS-cassettes. Het aanbod was veel kleiner, en dus bekeken wij dezelfde films opnieuw en opnieuw. A Bridge Too Far was er nog zo een. Doornroosje. Later heb ik Saving Private Ryan een keer of twintig gezien, net als Band of Brothers.

Voor we het over een andere boeg gooien, wil ik nog één televisieprogramma oprakelen waar je in opdraaft: eind deze maand begint een nieuw seizoen van Therapie.

“Daar hebben ze mij bij manier van spreken voor platgebeld, omdat de makers absoluut een topsporter wilden, om te praten over presteren onder druk, en mentale gezondheid. Blijkbaar kregen ze die moeilijk te pakken, en dus hebben ze op mijn gevoelens ingespeeld.” (lacht)

Jij had in Het huis al openlijk gepraat over een paniekaanval die je overviel op weg naar huis, na een lange, stressvolle dag op de club.

“Dat had te maken met de druk die ik mezelf oplegde, maar ook met de cafeïne die ik toen nam. Die ene keer dat ik in de auto mijn hart tekeer voelde gaan, dacht ik echt dat ik ging sterven, maar ik heb dat probleem nu helemaal onder controle. Toen ik daar in Het huis openlijk over praatte, kreeg ik superveel berichten van mensen die met hetzelfde probleem zaten. Dat zette me aan het denken: als ik met mijn getuigenis zelfs maar één iemand kan helpen, is dat een job well done.”

Hebben voetballers het onder elkaar vaak over mentale gezondheid?

“Weinig. Heel weinig. Terwijl de druk door sociale media alleen maar groter is geworden. Er is dus nog veel ruimte voor verbetering, maar in het voetbal heerst toch nog altijd een… ik wil niet zeggen: machocultuur. Maar zoals in elk domein van de samenleving worstelen daar mensen met issues.”

Op televisie is er dus geen ontkomen aan jou. Minder bekend is dat je deze zomer op een paar festivals bent aangetreden, als sidekick van Mark with a K.

“Mark is een vriend van mij, en een legende in zijn genre – ik denk dat je het hardstyle moet noemen. Hij had me gevraagd of ik een paar appearances wilde doen. Graag, zei ik. Maar ik wilde niet achter de desks gaan staan en doen alsof ik aan de knoppen draai. Voor fake pas ik sowieso altijd, en ik heb te veel respect voor echte dj’s.”

Zoals Ruben Van Gucht.

“Is die dj? Ha, dat wist ik zelfs niet.

“Ik ben een paar keer ‘Mr. Brightside’ van The Killers gaan zingen, dat had ik ook al in The Masked Singer gedaan. Dat past ook weer in die zucht van mij naar meer dan voetbal alleen. Ik wil mezelf ook uit mijn comfortzone duwen. Als je mensen vraagt waar ze het bangst voor zijn, dan is het zingen of spreken voor een publiek. Zingen heb ik al gedaan, en ik geef nu ook keynotes over topsport en presteren onder druk.

‘Ik heb een deel van mijn leven uitbesteed. De club bepaalt de tactiek, maar ze beslist ook over elke hap en elke slok’

“Vroeger op school vond ik spreekbeurten pure horror. In mijn hoofd ging het ook sneller dan ik het kon uitspreken – ik slikte veel woorden in. Daarom vind ik het megacool dat ik nu keynotes doe. Vroeger was ik een echt kuddedier. Als iedereen naar rechts ging, ging ik mee naar rechts, ook al wilde ik naar links. Ik was ook extreem verlegen – nog altijd.”

De breedgeschouderde Toby Alderweireld, die Cristiano Ronaldo acht keer partij gaf?

“Als ik ergens binnenkom, ga ik altijd tegen de muur staan. Ik voel me het best in de schaduw, ik heb zelfs een soort minderwaardigheidscomplex. Dat klinkt wellicht een beetje raar, nu ik zoveel in de spotlights kom.”

Je hebt nu een jaar de wateren van de showbizz gepeild. Bestaat de kans dat je net als Jan Vertonghen, Simon Mignolet en Vincent Kompany alsnog meer naar het voetbal zult neigen?

“Nee, in geen geval. Want dan begint dat verhaal opnieuw.”

Voor de lezer maak ik duidelijk dat je met twee vingers het universeel gebaar maakte voor ‘de cirkel is rond’. En terwijl je dat deed, grimaste je.

(denkt na) “De middenstip was twintig jaar het epicentrum van mijn leven. Dat leven speelde zich af in kleedkamers, rond de grote baklijn en in luchthavens. Alles heb ik voor het voetbal gelaten; mijn privéleven kwam nooit op de eerste plaats. De trainingen bepaalden het ritme van mijn dagen, nooit kon ik een dag vrijaf nemen.

“Iedereen kent het verhaal dat ik op mijn vijftiende naar Amsterdam ben vertrokken, maar eigenlijk is het al vroeger begonnen. Op mijn achtste, bij Germinal Beerschot, trainde ik al vier keer per week. Nooit kon ik naar het schoolfeest, want op zaterdag speelde ik matchen. Als een vriendje een verjaardagsfeestje gaf, moest ik passen. Als iedereen op oudjaar naar het vuurwerk stond te kijken, lag ik al uren in mijn bed. Een puberteit heb ik niet gehad – geen tijd voor.”

Ik hoor de chattering classes in opstand komen: ‘Ondankbare hond!’

“Ik klaag niet, het voetbal heeft mij veel gegeven, maar de realiteit is dat ik vanaf mijn achtste een deel van mijn leven heb uitbesteed. Dat de club bepaalt wat de tactiek is, is nogal evident, maar ze beslissen ook over elke hap die je neemt, en elke slok die je drinkt. Chips, een koekje, een pint?

“‘Een voetballer moet honderd keer per dag nee zeggen, en dat wordt vermoeiend. Alles staat in het teken van die twee matchen per week.”

Topvoetballers worden vandaag professioneel begeleid door trainers, kinesisten, ploegmanagers en koks. De club bepaalt hoe laat ze opstaan, maakt het ontbijt en legt je kleren klaar, gewassen en gestreken. Je kunt dat comfortabel vinden, maar tegelijk dreigt aangeleerde hulpeloosheid.

“Het is wel wat, de structuur die na de carrière wegvalt. Ik ken redelijk wat ex-voetballers die zoekende zijn. Ik ben zelf ook zoekende. Mijn zaakwaarnemer Stijn Francis, een superslimme gast die rechten heeft gestudeerd en zelf op hoog niveau heeft gevoetbald, zegt altijd dat hij nooit profvoetballer had willen zijn. Onderschat ook niet hoe eenzaam dat bestaan is.”

‘Ik was altijd al geïntrigeerd door andere dingen dan voetbal. Ik ben een natuurmens en ben ook geweldig geboeid door geschiedenis’

Ook al ben je altijd omringd door ploeggenoten?

Vind je dit interessant?

Ontdek nu alle Belgische top titels in één app!

Probeer nu een maand gratis

“Ja, maar als je wegrijdt van de club, kun je niet even met vrienden op café een pint gaan drinken. Je hebt als voetballer geen sociaal leven, nul komma nul. Mentaal is dat erg moeilijk. Je kunt minder ventileren als de druk hoog is. En die is enorm.”

Zestigduizend mensen die fluiten als je een luchtduel verliest of een owngoal scoort: het is niet min.

“Precies, en daar zijn de sociale media bijgekomen: nog eens een paar honderdduizend mensen erbij met een mening over u.”

Je moeder zei ooit dat je emotioneel eigenlijk niet geschikt bent voor het topvoetbal.

“Ik denk dat dat klopt. Als voetballer was ik gelukkigst toen ik 7 jaar was en in Ekeren rond de kerktoren sjotte met mijn vrienden. Ik deed mijn best, maar winnen of verliezen bepaalde mijn geluk niet.”

Heb je spijt van de opofferingen die je tijdens je carrière hebt gemaakt?

(aarzelt) “Nee, spijt heb ik niet. Alleen weet ik niet of ik het opnieuw zou doen, met wat ik nu weet. Misschien maar goed dat ik aan het begin van mijn carrière niet wist wat er op mij af zou komen. Ik zou misschien afgehaakt hebben. Maar dat is hoe ik in elkaar zit, andere spelers denken daar helemaal anders over.”

Het zwarte gat, was je daar beducht voor?

“Nee. (lacht) Not a chance.

Misschien heb je daarom op alles ja gezegd, om dat zwarte gat te counteren?

“Nee, want ik heb niet op alles ja gezegd, ik heb nog veel vaker nee gezegd… En nee, ik vertel niet wat ik allemaal heb geweigerd.

“Ik had me eigenlijk voorgenomen om een sabbatjaar in te lassen, zoals een student na zijn studie. Alleen ben ik 36, geen 18. (lacht) Ik vond dat ik dat verdiend had, maar dan kwamen al die vragen. Ik heb dat jaar nog tegoed, vind ik.”

Fysieke aftakeling, vraag ik met een blik op je omvangrijke biceps, is dat een bezorgdheid?

“O ja. Dat is extreem belangrijk voor mij, fit blijven. Vijf dagen per week gaat mijn wekker af om halfzes. Om zes uur kun je mij dan in de fitness vinden. Ben ik ijdel? Wellicht wel, zoals iedereen, maar voor longevity, een gezond lang leven, is spieropbouw belangrijker dan cardio. Ik ben ook een bourgondiër, ik drink graag een glas, en als ik eet, eet ik liever een pak frieten dan een slaatje.

“Mijzelf afbeulen in de gym is goed voor mijn voorkomen, maar het houdt me ook mentaal fit: it’s not just about the muscles. Het is zelfzorg, en ook mindful. Het is ook een manier om aan mijn kinderen te tonen dat hun papa hard werkt.”

Je vindt het belangrijk om je best te doen: op die nagel klop je vaak. Heeft dat misschien te maken met je working class-achtergrond?

(denkt na) “Ik ben zeker working class. Mijn moeder was huisvrouw en mijn vader fabrieksarbeider. Hij werkte shifts in een chemisch bedrijf in de haven. Hij mocht van zijn ouders niet gaan studeren, maar was eigenlijk heel slim. Hij heeft zich later wel opgewerkt, hij reed drie, vier keer per week naar Rotterdam voor bijscholingen. En na zijn shifts ging hij ook nog bijklussen, als schilder en ober.

“Ik ben nog nooit iemand tegengekomen die zo hard werkt als hij.”

Je ziet weleens dat mensen die opklimmen uit de arbeidersklasse zich niet comfortabel voelen in de kringen waar ze dan terechtkomen, en zich lijken af te vragen: komt dit succes mij wel toe?

“Ik vind het vervelend om het te vaak te herhalen, omdat het dan lijkt dat ik compenseer en ik het niet meen, maar ik wil nederig blijven. Ik ben dankbaar dat ze mij voor al die programma’s vragen, maar de simpele dingen maken mij nog het meest blij. Een frietje gaan eten, bijvoorbeeld.”

Je had het daarnet over een minderwaardigheidscomplex.

“Toen ik nog voetbalde, ging ik er voor elke wedstrijd van uit dat mijn tegenstander sneller en sterker zou zijn dan ik. Ik analyseer mijzelf graag, ik denk graag na over wie ik ben, en waarom. Met het ouder worden sijpelen de antwoorden gaandeweg binnen: mijn moeder heeft dat ook, zo’n minderwaardigheidscomplex. En haar moeder ook.”

‘Geld brengt ook veel problemen met zich mee. Kijk maar eens hoeveel voetballers vijf jaar na hun carrière failliet gaan’

‘Noem mij alsjeblieft nooit entrepreneur’, heb je ook ooit gezegd.

“Wie dat woord in mijn aanwezigheid gebruikt, krijgt een boks op zijn gezicht – bij manier van spreken, ik ben geen vechter.”

Maar je bent ondernemer. Wat is je bezwaar tegen dat woord?

“Op Instagram heb je veel van die mensen die zeggen: werk niet voor een baas, want dan beland je in de ratrace. So what? Het is toch knap dat je elke dag opstaat om voor iemand te gaan werken, om samen te schrijven aan een verhaal?

“Elke job heeft zijn merites. Soms ben ik zelfs wat jaloers op mensen die om vijf, zes uur hun boekentas dichtklappen en naar huis gaan want de job zit erop.”

Zou je jezelf dat zien doen?

“Natuurlijk. Aankomen op het werk, een kop koffie drinken aan de automaat, en een praatje slaan: hoe is uw dag? En dan samen – bijvoorbeeld – achter de vuilniskar. Ik vloek ook weleens als ik stilsta achter de vuilkar, maar we hebben die mensen nodig, en ik denk toch dat die zich rot amuseren. Ze hebben hun beweging, ze zijn een team. Ik zou daar geen enkel probleem mee hebben, nul.

“Mijn moeder is na de scheiding van mijn vader alsnog een tijdje gaan werken, als poetshulp. Ik heb er nu voor gezorgd dat ze niet meer hoeft te werken, maar ik heb nog altijd heel veel respect voor wat die mensen doen. Wij dragen onze poetshulp op handen, en ik heb het gevoel dat zij graag bij ons werkt, omdat wij heel dankbaar zijn.”

‘Ik ben geen Lukaku, Courtois of De Bruyne’, heb je al eens gezegd.

(snel) “Financieel. Dat is zo, dat is de realiteit. Zij hebben tien, twintig keer meer verdiend dan ik. Dat is geen klacht, dat is de realiteit. Ik ben een verdediger, om te beginnen. Ik speelde bij Tottenham: niet de beste betaler. En ik ben ook iets ouder: ik ben indertijd voor 16 miljoen van Atlético naar Tottenham getransfereerd. Dat was toen een fortuin, nu…”

…verkoopt Anderlecht een middelmatige speler als Saliba voor dat bedrag.

“Om de drie, vier jaar verdubbelen die bedragen, net als de lonen. Maar ik heb wel beslist om daar niet meer boos over te zijn. Ik prent mezelf in om blij te zijn met wat ik heb, en er het beste van te maken.

“En laat de mensen maar zeuren: ‘Ik moet zoveel harder werken voor zoveel minder geld.’ Akkoord, maar ik weet dat het voetballersleven megazwaar is, en dat geld ook veel problemen met zich meebrengt. Je moet maar eens zien hoeveel voetballers vijf jaar na hun carrière failliet gaan.”

Slechte investeringen, slechte vrienden?

“Sparen is altijd moeilijk, geloof me, of je aan het einde van de maand nu 100 euro of 100.000 euro overhoudt. Er zijn boeken over geschreven, zoals Rich Dad, Poor Dad. Ik heb gelukkig een vader die me bij de les hield: hebben we dat echt nodig? Nee? Dan gaan we dat niet kopen.”

Je hebt naar verluidt een miljoen euro betaald voor je aandeel in Antwerp. Had je dat echt nodig?

(lacht) “Ik had al een huis, dat is ook een investering, een veilige. Ik heb ook slim belegd. Een voetbalclub is een iets riskantere onderneming. Maar geef me liever dat dan een garage vol sportauto’s. Over de bedragen wil ik niet uitweiden, maar het is een aanzienlijke som – ook voor mij is het meer dan zakgeld, ik had het niet zomaar liggen.

“Maar het is niet zo dat ik gewoon heel graag een club wilde hebben, ik geloof echt in dit project en wil ook iets teruggeven. Antwerp is een voetbalclub, het gaat over goals maken en matchen winnen, maar onderschat het maatschappelijk belang niet. Mensen komen op zaterdag naar het stadion om een pintje te drinken met hun maten, en ventileren er hun frustraties van de week, en van hun leven. Ik ben blij dat ik zo’n project vooruit kan helpen. Het gaat niet over mij, maar over Antwerp, Antwerpen en de Antwerpenaars.”

Lees meer

Alle artikels