
Ik zie hoe ze liefdevol zijn hand pakt en tegen haar wang legt. Nog even en ze moet hem loslaten. Voorgoed. Ik ben bij haar. Ik ben bij hem. Ik zie hoe ze zich voorover buigt en haar laatste woorden tegen mijn vader fluistert. Hij glimlacht zwakjes en bedankt haar nog één keer voor de liefdevolle vrouw die ze al die jaren voor hem is geweest. Dan sluit hij zijn ogen.
De twee weken daarvoor leefden we als gezin tussen hoop en vrees. Mijn vader lag op de intensive care en elke dag nam mijn moeder een geruit tafelkleedje mee naar de kille familiekamer van het ziekenhuis. Tassen vol broodjes, fruit, verse sapjes en chocolade stonden op tafel. Alsof ze, door voor ons te zorgen, grip probeerde te houden op een situatie die allang niet meer te controleren viel. Het werd een vreemd ritueel: een dagelijkse picknick tussen de piepjes van de monitoren en de geur van ontsmettingsmiddel. Dat was onze hoop.
Tot de artsen op een middag bij ons aan tafel kwamen staan. ‘Helaas kunnen we niets meer voor uw man en vader betekenen.’ Mijn moeder rechte haar rug. ‘Het is goed zo,’ zei ze rustig. Tegen ons – haar zoon en dochter – maar misschien nog wel het meest tegen zichzelf.
Een paar dagen later gaat om één uur ’s nachts mijn telefoon. ‘Mam?’
‘Ik ben zo verdrietig… Ik mis hem zo,’ hoor ik haar snikken.
Natuurlijk spring ik meteen op de fiets. Ook al is het midden in de nacht. Mijn moeder heeft me nodig. ‘Ik ben er over zes minuten,’ zeg ik.
Na het overlijden van mijn vader veranderde er iets in de band tussen mijn moeder en mij. Iets onverwachts. Iets zachts. Dat was er niet altijd vanzelfsprekend. Als puber – en ook later als volwassene – botste ik geregeld met haar. Haar bemoeizucht en voortdurende commentaar maakten me gek. Zij werd op haar beurt horendol van de chaos waarin ik leek te floreren. Mijn moeder gelooft heilig in rust, reinheid en regelmaat. Ik ben meer van: we zien wel hoe het loopt. Mijn vader vormde jarenlang de milde buffer tussen ons tweeën. Hij suste, relativeerde en bracht ons altijd weer bij elkaar. Lachend zei mijn moeder vaak: ‘Jij en je vader zijn twee handen op één buik.’ Maar die ene hand viel weg.
De rollen draaien om
Als ik die nacht bij haar aankom, zit ze verslagen op de bank in haar ochtendjas. Natuurlijk had ik haar de afgelopen weken verdrietig gezien. Maar dit is anders. Rauwer. Dieper. Dit is oerverdriet. Ik sla mijn armen om haar heen en voel haar schouders schokken. Voor het eerst in mijn leven laat ze zich volledig door mij troosten. Normaal gesproken veegde ze haar tranen snel weg, rechte ze haar schouders en schakelde ze direct terug naar haar rol als sterke, praktische moeder. Maar nu legt ze huilend haar hoofd tegen mijn schouder.
Om één uur ’s nachts gaat mijn telefoon. ‘Mam?’ ‘Ik ben zo verdrietig,’ hoor ik haar snikken. Natuurlijk spring ik meteen op de fiets
'Huil maar, mam,' fluister ik. Die nacht draaien onze rollen voor het eerst om. 'Na het overlijden van een ouder verandert vaak de relatie tussen de overgebleven ouder en de kinderen,' zegt psychologe Annette Heffels. 'Die relatie wordt gelijkwaardiger. Kinderen gaan zorgen voor hun ouder. Dat is uit liefde en betrokkenheid, maar ook omdat ze al een ouder verloren hebben. De ander moet wél overeind blijven.'
Dat herken ik meteen. Ineens hield ik mijn moeder voortdurend in de gaten. At ze wel genoeg? Sliep ze? Was ze niet te veel alleen? Ik kreeg bijna automatisch een nieuwe rol: regelaar, opvanger, emotionele EHBO-post. Dat was ergens ook handig, want zolang ik bezig was met iedereen overeind houden, hoefde ik zelf niet echt te voelen hoe hard het verlies binnenkwam.
Volgens Heffels bestaat er binnen gezinnen na een overlijden vaak een soort hiërarchie in verdriet. 'Degene die zijn partner heeft verloren heeft als eerste recht op rouw. Kinderen stoppen hun eigen verdriet daarom geregeld weg tot ze voelen dat hun ouder het weer redt.' Misschien deed ik dat ook wel. Rouwen is namelijk eigenlijk een heel solistische bezigheid. Je kunt nog zo je best doen om het samen te doen, uiteindelijk zit iedereen opgescheept met zijn eigen verdriet, herinneringen en rare copingmechanismen. In die eerste maanden waren er eindeloos veel 'eerste keren': de eerste kerst zonder hem, zijn verjaardag, de eerste keer terug naar het familiehuisje op de Veluwe. Al die eerste keren was ik vooral bezorgd om mijn moeder. Mijn eigen gevoelens deden er niet toe. Ik moest overeind blijven, zodat ik haar kon troosten. En toen kwam de woonboulevardfase van mijn moeder...
Binnen twee maanden heeft mijn moeder haar woonkamer gestript. Het huis van mijn ouders verandert langzaam in het huis van mijn moeder
Overdaad aan ijsvogels
'Ik wil een nieuwe bank. Ga je mee?' 'Kijk, een nieuwe eettafel! Vind je deze stoelen leuk?' 'Denk je dat houten wandpanelen mooi zijn?' Binnen twee maanden heeft mijn moeder ongeveer haar complete woonkamer gestript. Wat begon met 'misschien een andere bank' eindigde in een volledige make-over. Alles eruit. Alles anders. Het huis van mijn ouders veranderde langzaam in het huis van mijn moeder.
Ik snap het echt. Ik vind het stoer hoe ze haar leven opnieuw vorm probeert te geven. Maar tegelijkertijd voelt het ook alsof mijn vader beetje bij beetje uit het huis verdwijnt. Dus doe ik wat ieder emotioneel stabiel mens zou doen: ik begin massaal ijsvogels te kopen. Beeldjes, schilderijtjes, ornamenten... Alles. Het was het lievelingsvogeltje van mijn vader en blijkbaar vind ik dat er koste wat het kost ergens nog een spoor van hem zichtbaar moet blijven.
Dus daar zat mijn moeder ineens. In haar strakke Japandi-interieur. Omringd door een alarmerende hoeveelheid ijsvogels. Rouw is ingewikkeld. Soms ziet het eruit als intens verdriet, soms als een impulsieve verzameling decoratieve vogels. 'Mensen gaan allemaal anders met verlies om,' zegt Heffels. 'De een wil praten en huilen, de ander zoekt juist afleiding of wil dingen aanpakken. Dat kan tot onbegrip leiden. 'Waarom doe jij papa's spullen nu al weg?' Maar er bestaat geen vaste volgorde of goede manier van rouwen.' Toch bracht het verdriet mijn moeder en mij ook dichter bij elkaar. Ik ben bij mijn moeder als ik haar vertel over een interview dat ik ga doen voor Margriet. Een interview met Danny Vera, een van mijn vaders favoriete artiesten. Ze kijkt me lang aan zonder iets te zeggen. En dan klinken de woorden: 'Wat had je dit graag tegen hem willen zeggen.' Ik breek. En voor het eerst slaat mijn moeder haar armen om mij heen.






Ze troost mij. Het opgestapelde verdriet, dat van mijzelf, komt eruit. Het voelt als een opluchting. Alsof er weer balans is. 'Het kan de band tussen moeders en dochters juist versterken als ze hun verdriet met elkaar delen,' zegt Heffels. 'Door elkaar niet te sparen, voorkom je dat iemand zich alleen voelt in rouw.'
Mam op avontuur
Op een dag zegt mijn moeder ineens: 'Ik denk erover om met een groepsreis naar Vietnam te gaan.' Ik kijk haar verbaasd aan. Mijn moeder. 77 jaar. Alleen naar de andere kant van de wereld. 'Doen!' roep ik meteen. Toch voel ik ergens ook onrust. Wat als ze me nodig heeft? Wat als er iets gebeurt? Tegelijkertijd zie ik hoe belangrijk deze stap voor haar is. Hoe ze voorzichtig opnieuw vorm probeert te geven aan haar leven, zonder mijn vader. En dus zet ze door. Een paar maanden later rijden we samen naar Schiphol. Mijn moeder straalt. Ze heeft er zichtbaar zin in. Bij de douane overvallen de emoties me ineens. 'Sta jij nou te huilen?' vraagt ze lachend. Ik knik. 'Ik ben gewoon trots op je.' Ze slaat haar armen om me heen en loopt daarna richting de vertrekhal. Rechtop. Vastberaden. Ik zwaai haar na met een brok in mijn keel en een maag vol knopen. De drie weken daarna krijg ik elke dag uitgebreide verslagen van haar reis. Foto's van tempels, drukke markten en tropische stranden stromen binnen, afgewisseld met filmpjes waarin ze enthousiast vertelt over alles wat ze meemaakt. In een van de video's zit ze in een rond bootje dat steeds sneller over het water draait. Ik hoor haar schaterlachen. Echt lachen. Zoals ik haar sinds het overlijden van mijn vader nauwelijks meer heb horen doen.
'Verlies hoort bij het leven,' zegt psychologe Annette Heffels. 'Verdriet verdwijnt niet door therapie. Maar de meeste mensen vinden uiteindelijk wel een manier om hun leven opnieuw op te pakken. Dat opnieuw vormgeven van het leven zie je vaak terug na een groot verlies.'
Rollercoaster
Een jaar na het overlijden van mijn vader zouden mijn ouders hun vijftigjarig huwelijk vieren. Ooit waren er plannen genoeg geweest om die bijzondere mijlpaal samen te vieren. Een reis misschien, een groot feest, in elk geval samen. Voor mijn broer en mij voelde de naderende datum daarom beladen. Hoe vier je de liefde van je ouders als één van hen er niet meer is?
Alsof het zo moest zijn, blijkt Danny Vera precies op hun trouwdag op te treden in het Amsterdamse Bos. Samen met mijn vader bezocht ik eerder meerdere van zijn concerten. En telkens als Rollercoaster werd gespeeld, pakte ik automatisch zijn hand. Jaren geleden zei hij al eens dat hij dat nummer op zijn uitvaart wilde horen. En zo gebeurde het ook. Die avond zitten we met z'n drieën naast elkaar: mijn moeder, mijn broer en ik. Zodra de eerste tonen van Rollercoaster klinken, pakt mijn moeder onze handen vast. Precies zoals ik vroeger die van mijn vader vastpakte.
Ik kijk naar haar. Naar de emotie op haar gezicht terwijl ze zachtjes meezingt. Vanuit mijn ooghoek zie ik mijn broer huilen. Die broer die zich altijd groot probeert te houden. En ineens voel ik het allemaal tegelijk: het gemis, de liefde, het verdriet, maar ook hoe sterk we nog altijd met elkaar verbonden zijn.
Ik kijk omhoog en glimlach door mijn tranen heen. Kijk ons nou, pap, denk ik. Wat zou je trots zijn geweest. En heel even voelt het niet alsof we iemand missen, maar alsof we compleet zijn.




