
Mijn Nederlandse krant, de Volkskrant, bracht het einde van de magistrale carrière van Eden Hazard in een rijtje kort nieuws op de rechterkant van de sportpagina. ‘Belg Eden Hazard stopt met profvoetbal.’ Zo luidde het kopje boven één van de minder belangrijke korte nieuwtjes. ‘Eden Hazard stopt’ vertrouwde de redactie niet: de lezer verdient optimale informatie en dan is ‘prof’ zeker geen overbodige toevoeging bij ‘voetbal’ – er lopen zoveel voetballers in het rond en je hebt nou eenmaal goeie en slechte, amateurs en jongens die ervoor betaald worden.
Hazard vond een onderkomen bij die laatste categorie. Terecht, hij verdiende in Madrid per jaar 25 miljoen euro netto. De krant vermeldde ook nog dat voornoemde Hazard op het WK in Rusland werd uitgeroepen tot de ‘één na beste speler van het toernooi’. Behalve op een extra hint aan de lezer (‘profvoetbal’) kijken ze daar ook niet op een taalfout meer: correct is natuurlijk ‘op één na beste speler van het toernooi’.
Onder en boven het definitieve einde van één van de grootste artiesten die we zestien seizoenen hebben mogen bewonderen, staan de nieuwsfeiten cricket en squash op de Olympische Spelen 2028 en Henk de Jong die terugkeert als trainer van Cambuur. De Jong is een fijne trainer en een aimabele Fries die we na zijn hersenoperatie, waarbij een tumor werd verwijderd, het allerbeste toewensen, maar ik moet terug naar Eden Hazard. We zijn hem kwijt. De Belgische bladen gaven hem gelukkig wel alle eer die hem toekomt. Ik herinner me de dag dat ik met Marc Degryse voor Sport Magazine de lijst ‘Beste voetballers van België aller tijden’ moest samentellen. Toen ik bij de nummer 1 bijna automatisch de naam ‘Paul Van Himst’ opschreef, zei Degryse: ‘Nee, dat is Eden Hazard’. Hij had gelijk. Eden Hazard wervelt, legt dribbels op de grasmat, scoort de mooiste doelpunten, rolt de zwaarste competitie ter wereld, de Premier League, op met een lichtvoetigheid waardoor je er niet meer omheen kunt: Hazard is de allerbeste.
De artiest heeft me één keer verbaasd met een verbetenheid die we niet van hem gewend waren. Het gebeurde in de wedstrijd Chelsea – Tottenham Hotspur, waarin Spurs kampioen kon worden. Tottenham kwam met 0-2 voor en werd daarna door een ontketende Hazard in het sportieve verdriet gedompeld met een bijna-vijandige houding ten opzichte van zijn Belgische Spurs-vrienden Jan Vertonghen en Toby Alderweireld. Ik vroeg Alderweireld on-langs in een tv-studio wat hij daarvan vond. Toby’s stalen gezicht werd zacht en vervolgens schoof hij met anderhalf glimlachend woord (‘Eden, ja…’) het onderwerp terzijde. Niemand kan lang kwaad zijn op Eden Hazard. Hij is de belichaming van de schoonheid van het spel, niet van het chagrijn. Zelfs in de meest ongelukkige periode bij Real Madrid, vol operaties, ijzeren schroeven in de enkel, zat hij jarenlang grappen makend tussen de reserves op de bank. Nooit vergat iemand wie er naast hem zat. Eden Hazard was niet alleen de allerbeste, hij was ook de meest geliefde. Maar bovenal was hij, zoals de Süddeutsche Zeitung schreef: de laatste voor-de-vuist-weg-poëet.










