Hoewel zijn jeugd door angsten en nervositeit werd gekenmerkt, blikt Koen er toch met warme herinneringen op terug. ‘Ik ben geboren in Gent, in de materniteit De Briel’, vertelt de zanger. ‘Maar we woonden in Gentbrugge, in de Ploegstraat. Mijn grootouders woonden in Ledeberg, dus alles lag dicht bij elkaar. Daar heb ik mijn eerste levensjaren doorgebracht.’
Wat voor een kind was jij toen?
Ik was een zeer complex mannetje. Ik had veel last van mijn zenuwen en werd jarenlang begeleid door dokters, verpleegsters en psychiaters. Aan tafel viel ik soms gewoon in slaap boven mijn bord. Achteraf zeiden artsen tegen mijn ouders: ‘Het is goed dat jullie hem nooit hebben gestraft of een klap gegeven, want dat had blijvende schade kunnen veroorzaken.’ Ik had ook vreemde angsten. Zo raakte ik als kind in paniek wanneer ik langs een kapsalon moest lopen en vrouwen onder een haardroger zag zitten. Dat klinkt wellicht raar, maar voor mij was die angst heel echt. Zelfs de zee maakte me toen onrustig en zenuwachtig, terwijl ik nu net aan de kust woon.
Moeders eerste man stierf in een concentratiekamp
Weet je waar die angst vandaan kwam?
Waarschijnlijk door een trauma toen mijn zus als kind met roodvonk naar het ziekenhuis moest. Ze werd in een dekentje gewikkeld en zo naar buiten gedragen. Dat beeld moet een enorme indruk op mij hebben gemaakt. Mijn ouders hebben mij dat later verteld, want zelf herinner ik mij dat niet meer.
Had je daardoor een moeilijke jeugd?
Toch niet. Ik heb eigenlijk een vrij goede jeugd gehad, maar dus wel met veel kinderziektes en angsten. Mijn ouders hebben enorm hard moeten werken. Ze moesten veel geld uitgeven aan dokters en behandelingen om mij erdoor te helpen. Ze zeiden later zelfs dat mijn genezing hen een huis heeft gekost aan erelonen voor kinderartsen en psychiaters. Mijn moeder is bijvoorbeeld ooit een maand met mij naar de Ardennen getrokken om mij tot rust te laten komen. En ook mijn eet-en drinkgewoontes waren bijzonder: pas rond mijn dertigste ben ik koffie beginnen drinken. Daarvoor dronk ik altijd melk en at ik kilo’s slagroom, omdat mij dat op de één of andere manier kalmeerde.
Financieel was het thuis niet makkelijk?
Nee. Mijn ouders waren echte werkmensen. Dat moest ook om rond te komen. Zeker met drie kinderen: mijn zus en ik, én onze halfzus. Mijn moeder had namelijk nog een dochter uit een eerder huwelijk. Haar eerste man was gestorven in een concentratiekamp. Rond hun vijftigste werden mijn ouders al invalide, wat het leven nog moeilijker maakte. Dat we het thuis niet breed hadden, merkte je aan alles. Zo hebben mijn zus en ik op dezelfde dag onze plechtige communie gedaan: zij een jaar te laat en ik een jaar te vroeg. Op die manier moest er slechts één feest betaald worden en kon er bespaard worden op eten en kleren.
Van wie heb je het meest geërfd: van je vader of van je moeder?
Mijn echtgenoot Jan zegt altijd dat ik de reïncarnatie van mijn moeder ben. Als hij me ’s morgens ontbijt op bed brengt – iets wat hij al jaren doet – en mijn haar nog niet in model ligt, zegt hij: ‘Daar is Coralia De Lille weer.’ Zo heette mijn moeder. Ik spreek en denk ook zoals zij, dus op veel vlakken lijk ik enorm op haar.
Opvallend is dat je meter en peter eigenlijk geen familie waren…
Klopt. Toen ik geboren werd, was de man die mijn peter zou worden op zee. In die tijd moest een baby heel snel gedoopt worna deden, soms al twee dagen geboorte. Mijn moeder werk Sarma, en een collega stelde voor dat zij en haar man de te destijds in het warenhuis taak op zich zouden nemen. Zo heb ik dus een meter en peter gekregen die eigenlijk wildvreemde mensen waren.
Kwam muziek al vroeg in je leven?
Zeker. Mijn ouders hebben elkaar leren kennen in een café waar mijn moeder Fran se chansons zong, gewoon bovenop de biljarttafel. Mijn vader was meteen verkocht. Thuis zongen ze vaak samen. In duet, waarbij mijn vader altijd de tweede stem zong. Mijn grootmoeder luisterde de hele dag naar Johnny Jordaan. En via mijn zus leerde ik Edith Piaf kennen. Zij kwam thuis met een plaatje van de Franse ster en ik was meteen betoverd.
Je had als kind al een geïmproviseerde tvstudio in de kelder…
Ja. In 1958, tijdens de wereldtentoonstelling in Brussel, trok ik met mijn meter en peter naar de Expo. Daar bezochten we een tv-studio: één enorme ruimte waar radio en tv samenkwamen. Camera’s met draaiende lenzen, weerman Armand Pien in de hoek, een omroepster daar, het decor van ‘Schipper naast Mathilde’ ergens anders… Ik was gefascineerd. Dát wilde ik later ook doen! Thuis bouwde ik in de kelder mijn eigen studio na, mijn ‘camera’ bestond uit luciferdoosjes. Ik speelde televisie, theater, poppenspel… En mijn grootvader was mijn trouwste fan. Hij moest altijd komen kijken. (lacht)
Op school werd ik gepest en uitgelachen


Hoe was jij op school: braaf of eerder rebels?
Ik was niet rebels, maar ging niet graag naar school. Ik vond dat eigenlijk niet nodig. Ik was een beetje een buitenbeentje. Toen Edith Piaf in 1963 stierf, liep ik een jaar lang volledig in het zwart rond uit rouw. Terwijl mijn leeftijdsgenoten naar The Beatles en The Rolling Stones luisterden, was ik als enige bezeten van Piaf.
Ben je ooit gepest geweest?
Ja, ik ben zeker gepest en uitgelachen. Voor-Ik al de lagere school was geen fijne periode. was anders: ik droeg zwarte kleren, gebruik te al wat crèmes tegen mijn jeugdpuistjes en had andere interesses. Dat maakte mij een makkelijk doelwit.
Was er iemand die toen al in jou geloofde?
Ja, mijn leraar in het vijfde leerjaar. Voor ons muziekexamen moesten we iets opvoeren. De ene speelde blokfluit, de andere harmonica. En ik? Ik zei dat ik drie Piaf-liedjes zou zingen: ‘Non, je ne regrette rien’, ‘La vie en rose’ en ‘Hymne à l’amour’. Helemaal in het zwart stond ik daar voor mijn klasgenoten, en toch kreeg ik de hoogste punten. Mijn leraar was zo overtuigd dat hij mijn moeder liet komen: ‘Je moet hem laten zingen. Hij is ervoor in de wieg gelegd.’





Maar als kind stond je niet graag in het middelpunt van de belangstelling.
Nee. Ik ben ook niet in het vak gestapt om bekend te worden, maar omdat ik wilde zingen. Mijn droom was om net als Piaf in een spotlicht te staan, helemaal in het zwart, en chansons te brengen. Dat ik een kindericoon zou worden als Meneer Spaghetti uit ‘Samson & Gert’, en later zelfs een BV? Dat had ik nooit kunnen denken.
Dus je zocht die aandacht tijdens je jeugd niet op?
Zeker niet. Ik was bedeesd en gevoelig. Zelfs vandaag wacht ik bijvoorbeeld netjes in de rij zoals iedereen. Het is nooit mijn bedoeling geweest om privileges te krijgen omdat ik bekend ben.
Je eerste optreden gaf je bij de zeescouts?
Ja. Mijn vader en zus zaten bij de zeescouts en papa vond dat ik robuuster en mannelijker moest worden. Hij zei: ‘Je gaat mee naar de scouts.’ Kamperen, knopen leggen en roeien interesseerden mij niet zo, maar ik deed het voor hem. Mijn eerste try-out was tijdens een feestje in het scoutslokaal aan de Leie in Gent. Daar heb ik voor het eerst gezongen, opnieuw drie liedjes van Edith Piaf. Ik had meteen succes en leerde daar andere muzikanten kennen. Zo ben ik uiteindelijk in een orkestje beland.
Was je zenuwachtig voor dat eerste optreden?
Eigenlijk niet. Ik was altijd vrij zeker van mezelf als ik moest optreden. Ik had gerepeteerd en wist dat ik het kon. Ik nam zelfs dezelfde pose aan als Piaf, met mijn handen in mijn zij. Ik wilde dat mensen naar mij luísterden.
Je eerste grotere optredens waren in Vooruit in Gent. Een kantelpunt?
Ja, daar is het eigenlijk écht begonnen. Ik trad er op in het café, samen met mijn zanglerares Yvonne Vanderieck. Zij bracht me ook in contact met de operawereld. Dankzij haar heb ik auditie gedaan bij de opera in Gent. Ik werd daar eerst aangenomen voor het koor en kleine rollen, maar al snel mocht ik als solist optreden.
Als zingen niet was gelukt, was ik waarschijnlijk kapper gebleven
Je bracht op je veertiende al een eigen single uit.
Als ik die opnames nu hoor, denk ik: ‘Dat klinkt alsof Marva aan het zingen is.’ Zo’n fijn stemmetje had ik toen. Mijn eerste single heette ‘Dromen’, en daarna volgde ‘Jij bent de zon’. Ik was toen ook een grote fan van Salvatore Adamo, dus probeerde ik zijn stijl een beetje na te doen.
Toch ben je tijdens je jeugd ook nog zelf kapper geweest, niet?
Ja. Op mijn veertiende ben ik als leerling-kapper beginnen werken. Mijn peter had een kapsalon aan de Dampoort, vandaar. In het begin werkte ik als herenkapper, maar dat lag me minder. Dameskapsels vond ik veel creatiever: permanenten, kleuringen… Daar kon je veel mee doen. Was het zingen niet gelukt, dan was ik waarschijnlijk kapper gebleven. Met een eigen salon.
Je heb intussen ook verschillende dieetboeken uitgebracht. Maar als kleine Koen was je allesbehalve zwaar…
Nee. Als kind en als jonge man was ik eigenlijk heel mager. Ik lette enorm op wat ik at en dronk. Geen alcohol bijvoorbeeld. Dat veranderde pas toen mijn operacarrière in 1988 abrupt stopte en iedereen op straat stond. Ik had ineens veel minder beweging en begon kilo’s bij te komen. Op een bepaald moment woog ik liefst 140 kilo. Als ik beelden uit mijn tijd bij ‘Samson & Gert’ zie, schrik ik daar zelf van. Ik was toen echt heel dik. Voor het personage kwam dat misschien goed uit, maar voor mijn gezondheid natuurlijk niet. Een dokter waarschuwde me: ik móest afvallen, anders zou ik dat met mijn leven betalen. Toen ben ik gaan diëten.
Je hebt vrij vroeg beseft dat je op jongens viel.
Ja. Rond mijn veertiende begon ik dat echt te voelen. Ik merkte dat ik meer aangetrokken werd door jongens dan meisjes. In die tijd was dat nog een groot taboe, dus probeerde ik dat eerst te negeren of ontkennen. Ik ben ook met meisjes geweest en all the way gegaan, ja. En het marcheerde nog ook. (lacht) Maar diep vanbinnen voelde ik dat dat niet was waar mijn hart lag.
Kon je daar thuis over praten?
Op mijn zestiende vertelde ik het aan mijn ouders. Mijn pa had het er eerst moeilijk mee, want wat wil een vader? Dat zijn zoon gaat voetballen en achter de meisjes aanloopt. Maar mijn moeder zei meteen dat ze het eigenlijk al langer wist. Uiteindelijk hebben ze het aanvaard, en dat was voor mij een enorme opluchting.
Kort daarna ontmoette jij Jan, met wie je vandaag nog altijd samen bent.
Ja, ik was zeventien toen we elkaar leerden kennen. In het begin ging alles heel voorzichtig. Want twee mannen die een relatie hebben, dat was toen nog taboe voor veel mensen. Maar we zijn blijven volhouden, en vandaag zijn we al 57 jaar samen. De garantieperiode is dus om! (lacht)




