

Elk bos ligt vol sporen: een leeggemaakte noot, een afgebroken tak, ontbrekende stukjes schors … Stuk voor stuk zijn het aanwijzingen dat je omringd bent door dieren. Als je begint te letten op sporen, dan zal je ontdekken dat zelfs het saaiste en stilste bos ineens vol bewijsmateriaal ligt: gaten in een omgevallen boom, uitgeperste keutels, uitgespuugde braakballen, modderige pootafdrukken … Dieren maken rommel, net als mensen. Hoe meer je erop let, hoe meer sporen je ziet en hoe meer je over de dieren leert. Het is als een puzzel, en hoe meer je puzzelt, hoe meer passende stukjes je vindt.
POOTAFDRUKKEN
De grootste kans om mooie pootafdrukken tegen te komen, heb je op zogenaamde wissels. Wissels zijn de paadjes en de routes die dieren nemen als ze snel willen wegkomen, of als het donker is. Je herkent wissels bijvoorbeeld aan gras dat iets is aangedrukt, of plekken waar de begroeiing verdwenen is. Sommige wissels zijn een soort tunneltjes in een grasveld. Die worden gebruikt door knaagdieren. Als er sneeuw is, maken veldmuizen tunnels door de sneeuw, die ze vanbinnen met gras bedekken. Als de sneeuw smelt, blijven de tunneltjes van gras over. Je ziet ze pas als je het gras een beetje opzijbuigt.
VRAATSPOREN
Niet alleen pootafdrukken verraden de aanwezigheid van dieren. Dieren laten ook hun etensresten liggen; zogenoemde vraatsporen. Als je goed oplet in het bos of open veld, kan je zo zien wie er wat gegeten heeft. Veel dieren eten stukjes boom. Kijk dus heel goed of je afgebroken boomtakken ziet. Zijn ze ruw afgescheurd? Dan is dat waarschijnlijk het werk van een ree of een hert. Herten hebben alleen maar voortanden in hun onderkaak. Als ze een tak van de boom eten, breken ze de tak en trekken die eraf. Zie je takken waarvan de hele bast is afgeknaagd? Dat is een beverstok. Langs de rivieren in de Ardennen kan je veel beverstokken vinden. Bevers vellen ook hele bomen. Met hun scherpe tanden knagen ze net zo lang tot de boom omvalt. Ze zijn gek op de jonge takken boven in de boom. Zie je hoopjes dunne stokjes? Dat is een teken van aardmuizen. De muizen knagen vlak boven de grond een jonge scheut van bijvoorbeeld een braam of een frambozenstruik door.


De scheut slepen ze naar een veilige plek, waarvan ze de bast er met hun ondertanden afschaven. Dat herhalen ze tot er uiteindelijk een stapeltje afgekloven takjes op de grond ligt.
BOOMBAST
Waar je in het bos ook op kan letten, zijn stukken kale boom. Herten schillen in het voorjaar de bast van jonge boompjes. In de winter zit de bast vaster tegen de boom en lukt het herten alleen om stukjes bast van de boom af te schaven. Ook schapen schillen de boombast, maar de richting van de tandafdrukken is bij schapen horizontaal. Hongerige knaagdieren zetten ook soms hun voortanden in een boom of een tak. Als de bast van een boompje alleen aan de onderste 15 centimeter van de boom verdwenen is, is dat waarschijnlijk het werk van een aardof veldmuis, die niet kan klimmen. Een woelrat kan tot 20 centimeter knagen. Als er een woelrat aan het werk is geweest, ligt er schaafsel op de grond. Knaagdieren gebruiken namelijk hun bovenste snijtanden als een soort ankers om hun kaak vast te zetten. Het knagen doen ze met hun onderste snijtanden. De bovenste snijtanden laten heel korte, iets gebogen afdrukken achter. Als er hoog in de boom stukjes bast verdwenen zijn, kan dat wijzen op eekhoorns of rosse woelmuizen, die wél goed kunnen klimmen. De grond onderaan de stam is dan bezaaid met stukjes afgeknaagde bast.
BOOMVORM
Lijkt het alsof bij bomen alle blaadjes en takjes er vanaf een bepaalde hoogte afgeknipt zijn, dan zijn er waarschijnlijk herten aan het werk geweest. Reeën laten veegsporen achter: ze laten een geurstof achter om hun territorium te markeren. Dat doen ze door met hun kop heen en weer te slingeren. Soms doen ze dat zo wild dat ze de bast van takken en stammen afschuren.




DENNENAPPELS
Vraatsporen aan dennenappels zijn overal te vinden. Bij een plek waar een eekhoorn dennenappels heeft gegeten, liggen veel afgekloven kegels. Een eekhoorn gebruikt één kant van de kegel om zijn pootje tegenaan te zetten en zet de kegel zo klem. Met zijn andere pootje trekt hij vervolgens de schubben eraf. Om die reden zie je bij afgekloven kegels vaak het bovenste randje nog zitten; die krijgt de eekhoorn er niet meer af.
Niet alleen eekhoorns eten dennenappels en sparrenappels. Ook muizen en vogels zijn er gek op. Je kan aan de etensresten zien welk dier er aan tafel is geschoven. Muizen zijn niet sterk genoeg om de schubben van een kegel af te trekken, ze knagen die eraf. Hun kegels zien er daardoor gladder uit, alsof ze met een schaar bewerkt zijn. Muizenkegels kom je niet zoveel tegen als eekhoornkegels, omdat muizen de kegels meenemen naar beschutte plekjes. Ook slepen ze kegels vaak mee in hun holletjes onder de grond. Spechten klemmen de kegels vast in een boom, bijvoorbeeld in een gegroefde bast. Een geschikte boom kan daardoor helemaal volhangen met dennenappels die door spechten bewerkt zijn. Soms hakt een specht zelfs een gat om de kegel in te klemmen. Zo’n zogeheten ‘spechtensmidse’ wordt vaker gebruikt. Daaronder zal dan ook een stapel dennenappels liggen. Als er dennenappels liggen waarin de schubben in tweeën geknipt lijken te zijn, dan is dat het werk van een kruisbek, een vinkachtige vogel met een karakteristieke snavel, een soort schaartje.
TAXUSBESSEN
De rode bessen van de taxus zijn giftig voor mensen, maar populair bij vogels. Lijsters eten de zaadwand en zaadmantel. Appelvinken eten de binnenkant van de zaden, die ze met hun dikke snavel splijten. Als de aarde onder een taxus bezaaid is met rode bessen zonder pit, is er waarschijnlijk een groepje appelvinken langs geweest. Glanskopmezen plakken de kleverige bessen aan een tak, om de zaadjes er zo uit te kunnen pikken. De kleverige buitenkanten blijven aan de tak hangen. Boomklevers, spechtachtige vogeltjes die vaak omgekeerd – met hun kop naar beneden – aan de boom hangen, pakken het weer anders aan. Ze klemmen de taxuszaadjes in de groeven van de boombast en pikken de zaadjes dan kapot.
HAZELNOTEN
Een hazelnoot is voor veel dieren een delicatesse. Als de hazelnoten rijp zijn, zijn eekhoorns, muizen, ratten en vogels niet te houden. De dieren moeten de harde schil openkraken om bij het lekkere binnenste te kunnen komen, en daar hebben ze allemaal een andere techniek voor. De eekhoorn knaagt een gleufje, waar hij zijn tanden in zet om de noot zo open te werken. De noten lijken wel doormidden gehakt te zijn. Muizen zoeken een stukje oneffenheid in de schil en raspen van daaruit de schil open. Woelratten beginnen het liefst aan een zijkant, rosse woelmuizen het liefst aan een uiteinde. Vogels maken een hazelnoot open door hem kapot te hakken.

OMGEPLOEGDE GROND
Zie je een stuk omgeploegde aarde? Dikke kans dat daar een wild zwijn of een groepje wilde zwijnen aan het werk is geweest. Wilde zwijnen eten zo’n beetje alles wat ze tegenkomen. Paddenstoelen, beukennootjes, wormen, insecten, maar ook dode dieren. Het meeste eten vindt het zwijn onder de grond. Hij heeft een heel goede neus en ruikt zelfs nog beter dan een hond. Denkt hij iets lekkers in de aarde te ruiken, dan wroet hij met zijn harde neus en voorpoten de grond helemaal om.
UITGEHOLDE KNOPPEN
In het voorjaar eten muizen en eekhoorns jonge knoppen van bomen. Ze hollen de knop uit, zodat de buitenste schubben blijven zitten.
GATEN
Let op gaten in bomen. Zijn ze uitgehakt, dan is dat het werk van een specht. Als je een dode boom ziet die helemaal aan stukken is gehakt, komt dat mogelijk door een zwarte specht, op zoek naar houtmieren. Een uitgegraven mierenhoop wijst op een groene specht die op zoek naar eten is geweest. Een groene specht is namelijk gek op rode bosmieren. Vind je een uitgegraven wespennest, dan verraadt dat de aanwezigheid van een wespendief, een roofvogel ter grootte van een buizerd.

Meer lezen
Outdoor: Relaxen in de natuur (Uitgeverij Snor, € 24,99) is een uitnodiging om ook contact te maken met de natuurmens in jezelf. Maak kennis met methoden die al duizenden jaren van waarde zijn voor mensen. En ervaar hoe ontspannen je ervan wordt. Auteur Gerard Janssen: ‘Het is heerlijk om je terug te trekken in een huisje in een bos. In de jazzmuziek bestaat de term ‘woodshedding’: het jezelf verstoppen op een plek waar niemand je kan horen oefenen, waar je helemaal jezelf kan zijn en zonder gêne fouten kan maken. Hoewel het woord woodshedding vaak metaforisch gebruikt wordt, is het geen gek idee om af en toe op te laden in het bos. Niet alleen om dichter bij jezelf te komen, maar ook om weer contact te maken met de diepe connectie die iedereen met het bos heeft, de plek waar onze verre voorvaderen thuis waren, en wij dus ook. Dromen in de stilte, onder de sterrenhemel en wakker worden met de geluiden van de natuur.’



Elk dier heeft een andere techniek


















