

Verderop houden vier Inuvialuit-rendierhoeders, bewapend en op sneeuwscooters, alles in het oog. Ze zijn alert, ze kennen het ritme van de hoeven op de bevroren grond. Deze ochtend is het hun taak om de rendieren naar hun kalfgronden te begeleiden. Maar tegelijkertijd helpen ze mee aan iets veelomvattenders, een nieuw hoofdstuk in de rijke geschiedenis van deze kudde.
‘Het zijn echt slimme dieren,’ zegt Douglas Esagok. Hij werkt nu zeven winters met de rendieren en is daarmee een van de meest ervaren inheemse rendierhoeders. ‘Ik praat altijd tegen ze als ik ze ergens naartoe breng. Ze worden rustig als ze mijn stem of het geluid van mijn scooter herkennen.’
Deze laatste vrij rondtrekkende rendierkudde in Canada, die nu op het punt staat te vertrekken vanuit een locatie iets boven de poolcirkel, stamt af van een fameus experiment. Ongeveer honderd jaar geleden begon het aantal kariboes, waarvan de Inuvialuit lang afhankelijk waren geweest, in het gebied af te nemen. Er werd een gedurfd plan bedacht om het gebrek aan voedsel te verhelpen: via de import van rendieren. (Rendieren en kariboes zijn dezelfde soort, maar rendieren zijn gedomesticeerd.) Rond de eeuwwisseling was er in het nabijgelegen Alaska al een dergelijk waagstuk uitgehaald, toen er groepen rendieren uit Siberië en Noorwegen met boten en treinen naar Noord-Amerika waren gehaald. De rendierpopulatie in Alaska groeide snel, en eind 1929 vertrokken er van daaruit ongeveer 3500 dieren met Sami-en Inuit-rendierhoeders naar Canada. Het werd een zware reis vol omwegen, die 2400 kilometer lang was en ruim vijf jaar zou duren. Dat moeizame begin zou uiteindelijk uitmonden in het Canadian Reindeer Project.


Nu, bijna honderd jaar later, slaat een aantal betrokken Inuvialuit nieuwe wegen in met het project. De kudde, die al door Inuvialuit werd verzorgd maar in bezit van één familie was, is in 2021 door de Inuvialuit Regional Corporation (IRC) aangekocht. Onder toeziend oog van Esagok en zijn collega’s is de kudde nu meer dan twee keer zo groot geworden en telt hij bijna zesduizend rendieren. Daarmee is de uitvoering van een ambitieus plan binnen bereik gekomen: zorgen dat de Inuvialuit die op het land van hun voorouders wonen op duurzame wijze zelfvoorzienend kunnen zijn.
‘Deze kudde betekent voedselzekerheid maar zorgt ook voor werkgelegenheid, er zit een economisch aspect aan,’ zegt Brian Wade, directeur van de Inuvialuit Community Economic Development Organization.
De aankoop van de rendieren door de Inuvialuit-gemeenschap is meer dan een stap naar een stabielere toekomst. Het beheer van de kudde is ook een kans voor de Inuvialuit om weer het heft in eigen handen te nemen. In de jaren dertig van de vorige eeuw, toen de rendieren onder een koloniaal bewind naar de Northwest Territories werden gebracht, was de bedoeling niet alleen om het dreigende voedseltekort door de afname van kariboes te voorkomen, maar ook dat de inheemse bevolking haar traditionele, voorouderlijke manier van voedsel verzamelen erdoor zou vervangen. Eeuwenlang hadden zij voornamelijk van de jacht en de visvangst geleefd, maar door de import van de rendieren veranderde ook de relatie van de Inuvialuit met het land: van jagers naar veehouders.
‘Rendieren gelden als gedomesticeerde dieren, net als koeien of varkens,’ zegt Wade. ‘Ze grazen de hele dag, en op zoek naar voedsel trekken ze maar heel langzaam rond.’
Voordat de IRC het beheer over de kudde overnam, was deze jarenlang eigendom van de Inuvialuit-familie Binder; deze werkte al met de rendieren sinds ze voor het eerst in de delta van de Mackenzie River arriveerden. De Binders lieten de kudde grazen en verkochten het vlees, maar dat was steeds moeilijker geworden – ze hadden te weinig mensen om roofdieren te verjagen en om de rendieren bij elkaar te houden. Terwijl de kudde steeds verder kromp, kwamen de leiders van de Inuvialuit binnen de IRC stilaan tot het inzicht dat steun voor de rendierpopulatie van groot belang kon zijn voor de gemeenschap.
Er zijn nog genoeg Inuvialuit die jagen om aan voedsel te komen, maar dat kan veel tijd en geld kosten. En, zoals elke jager zal zeggen: het ene seizoen is het andere niet. In de afgelopen decennia hebben veel gezinnen de traditionele manier om in hun onderhoud te voorzien opgegeven en zijn ze nu afhankelijk van markten en supermarkten die door leveranciers uit het zuiden worden bevoorraad. Maar toen in 2020 de coronapandemie uitbrak, kwam die aanvoer voor een groot deel stil te liggen. De IRC, die een rol voor de kudde zag weggelegd bij het verhelpen van voedseltekorten, zag dat het gevaar niet hypothetisch was, maar heel reëel.


Er werd een tweeledig plan opgezet rondom de rendieren. ‘Door naast het traditionele voedsel ook de rendierkudde te benutten, kunnen we de kariboes in de omgeving ontzien en een extra bron van duurzame eiwitten veiligstellen,’ vertelt Wade. Het tweede initiatief was de opening van de Country Food Processing Plant in Inuvik, een fabriek waar rendiervlees en ander voedsel kan worden bereid voor gezinnen die tekort komen.
Maar voordat er überhaupt rendiervlees was, moest de kudde eerst op volle sterkte komen. De IRC schakelde Esagok en zijn collega-rendierhoeder Steve Cockney jr. in, en samen waren zij maanden bezig om de verspreide kudde weer bij elkaar te brengen.





‘Dat bijeendrijven van alle rondzwervende dieren, die over een enorm gebied waren uitgezworven, was een van de grootste uitdagingen,’ herinnert Esagok zich. Een paar groepen waren wel 140 kilometer verderop terechtgekomen, zodat zijn partner en hij dagen rondtrokken. Die kleinere kluitjes rendieren waren kwetsbaar voor wolven en andere roofdieren. Hoewel ze veel dieren waren verloren en andere buiten bereik bleken, hebben ze de meeste weer bij elkaar gebracht, zegt Esagok.
Daarna heeft de IRC nog vier rendierhoeders ingehuurd. Op deze manier konden steeds vier hoeders bij de kudde blijven (in shifts van twee weken), terwijl er twee vrij hadden. En met resultaat: de kudde telt nu weer zesduizend dieren, en daarmee kon de nieuwe voedselfabriek van start.
Afgelopen voorjaar werd er voor het eerst geslacht in de fabriek, waar nu vijf mensen fulltime werken. Er werden 176 rendieren uit de kudde verwerkt tot onder andere braadstukken, gehakt en spareribs, wat allemaal naar leden van de Inuvialuit-gemeenschap ging. Die maaltijden zijn een belangrijke bron van lokaal voedsel. Zo kunnen Inuvialuitgezinnen die misschien zelf niet kunnen jagen, een relatie met het land en met deze fase in hun geschiedenis behouden.
Voor Esagok was dit een kans om een belangrijke rol te spelen bij het veiligstellen van voedsel en het revitaliseren van hun cultuur, maar ook een sprong in het diepe. In slechts zeven jaar moesten Cockney, hijzelf en hun team zich de traditie van het rendierhoeden eigen maken, waar de Sami aan de andere kant van het noordpoolgebied al veel langer ervaring mee hebben. Hij moet die kennis bovendien doorgeven aan de volgende generatie rendierhoeders, wat volgens hem erg meevalt; de meeste lokale jagers hebben een voorsprong doordat ze het landschap al goed kennen. ‘Het is niet zo moeilijk als je in je jeugd al veel hebt gejaagd,’ zegt hij. ‘We praten met de jongere jongens en we leggen ze alles zo goed mogelijk uit, maar veel moet je in de praktijk oppikken. Je leert door het te doen en door de dieren te observeren.’ En zij leren ook weer van de rendieren, zegt hij. Vaak voelt het alsof die de leiding hebben.

HOE HET RENDIER NAAR AMERIKA KWAM
Rond 1890 ontstond in Alaska het idee om het afnemende aantal wilde kariboes, een belangrijke voedselbron in de staat, te vervangen door gedomesticeerde rendieren. Er werd een eerste kudde geïmporteerd.

Een tocht vol tegenslagen
In 1929 koopt de Canadese regering vanwege het succes met de rendieren in Alaska een deel van die kuddes aan. De verhuizing zou achttien maanden duren, maar het worden vijf zware jaren. Onderweg krijgen hoeders en dieren te maken met noodweer, stampedes en confrontaties met wolven.

Explorer Katie Orlinsky fotografeerde ook voor de Cerrado-reportage in deze editie (pag. 76). Joshua Hunt, een Tlingit uit Alaska, maakte eerder reportages voor Reuters.
KEYSTONE VIEW COMPANY, LIBRARY OF CONGRESS PRINTS AND PHOTOGRAPHS DIVISION/. KAART: CHRISTINE FELLENZ, NGM. BRONNEN: U.S. SENATE, ‘REPORT ON INTRODUCTION OF DOMESTIC REINDEER INTO ALASKA’, 1898; DICK NORTH, ARCTIC EXODUS; STEPHEN BOWN, ‘THE GREAT REINDEER PROJECT’, CANADA’S HISTORY; NATIONAL PARK SERVICE




